Navigatie en titel overslaan

Thema's

Suriname

Nederlands Bestuur

Suriname werd in 1940 bestuurd door een gouverneur, J.C. Kielstra, die werd bijgestaan door een Raad van Bestuur. Daarnaast was er een volksvertegenwoordiging, de Staten van Suriname, maar die vertegenwoordigde nog geen vier procent van de bevolking. Na het bekend worden van de Duitse inval in Nederland kondigde Kielstra de staat van beleg af, plaatste de pers onder censuur en nam tal van noodmaatregelen, zoals het interneren van alle in de kolonie woonachtige Duitsers. Omdat er een serieus gevaar bestond dat de bauxietmijnen zouden worden aangevallen, werd het leger (de Schutterij) uitgebreid. De Surinaamse landmacht bracht ongeveer vijfduizend man op de been, bestaande uit vooral Creolen en Hindoestanen. Zij werden gelegerd in en rond Paramaribo, bij de bauxietmijnen van Moengo en Paranam. Ook zorgde de Surinaamse Schutterij voor de kustbewaking.

Onder de staat van beleg was de macht van de gouverneur toegenomen, terwijl het streven naar meer politieke en bestuurlijke macht in de Staten juist toenam. Dit streven werd onbedoeld gestimuleerd door een radiotoespraak van koningin Wilhelmina in december 1942, waarin zij de kolonie na de oorlog meer zelfbestuur beloofde. Met haar rede probeerde de vorstin onder meer tegemoet te komen aan het antikoloniale beleid van de Amerikaanse president Roosevelt. Het Surinaams nationalisme werd bovendien gestimuleerd door de autocratische gouverneur Kielstra, die zijn tegenstanders op allerlei manieren buiten spel zette. Bij benoemingen gaf hij de voorkeur aan ambtenaren uit Nederlands-Indië en liet zich denigrerend uit over Creoolse politici; van het ‘geestloze en bijna maniakale negativisme van de creoolse half-intellectuelen’ moest hij niets hebben.

In mei 1940 had de gouverneur behalve de Duitsers ook leden van de oppositie als ‘staatsgevaarlijke personen’ laten interneren. Met de arrestatie van het statenlid B.H.W. Bos Verschuur, een populaire onderwijzer en kunstenaar, overspeelde hij zijn hand. Deze had in juli 1943 bij Wilhelmina een verzoek ingediend om Kielstra uit zijn ambt te verwijderen, waarop deze hem gevangen had laten zetten. Nadat de gouverneur geweigerd had zich in de Staten over zijn handelwijze te verantwoorden, stapten zeven leden op en ontstonden er grote politieke spanningen die in januari 1944 leidden tot Kielstra’s ontslag. Diens opvolger stelde Bos Verschuur op vrije voeten, onder voorwaarde dat deze zich zou onthouden van politieke activiteiten.

Het streven naar autonomie gaf in Suriname de aanzet tot de vorming van politieke partijen, die voor de oorlog nauwelijks hadden bestaan. In de politieke bewustwording van de bevolking speelde de Unie Suriname met haar leus ‘baas in eigen huis’ een belangrijke rol. De Unie was overigens tegen algemeen kiesrecht, omdat daardoor de dominante positie van de creolen in gevaar zou komen. Het Surinaams streven naar zelfbestuur had een gematigd karakter en was niet gericht op totale onafhankelijkheid; het was antikoloniaal, maar niet anti-Nederlands. Het kwam voort uit de lokale elite die door de oorlogsomstandigheden besefte weinig zeggenschap te hebben.

Wat kunt u onder dit thema vinden?
U vindt hier alles wat betrekking heeft op het Nederlandse bestuur van Suriname. Denkt u daarbij ook aan stukken van het Ministerie van Koloniën in Londen.

Literatuurverwijzingen

G. Oostindie en I. Klinkers, Knellende koninkrijksbanden. Het Nederlandse kolonisatiebeleid in de Caraïben 1940-2000. Deel 1: 1940-1954 (Amsterdam 2001). 

H. Ramsoedh, Suriname 1933-1944. Koloniale politiek en beleid onder gouverneur Kielstra (Delft 1990).

Ph. A. Samson, ‘De joden in Suriname tijdens de oorlog’, in: Nederlands Israëlitisch Weekblad (NIW), 4 juni 1965.

B. Scholtens, Suriname tijdens de Tweede Wereldoorlog (Paramaribo 1985).

J.E. Stulemeyer, Kamptoestanden in Nederlands Oost-Indië en Suriname 1940-1946. Een doorgaans onbekende historie, die toch ons allen aangaat. Getuigenissen en commentaren bijeengebracht door J.E. Stulemeyer (Amsterdam 1978).