Navigatie en titel overslaan

Thema's

Suriname

Internering NSB-ers en Duitsers

Onmiddellijk na de Duitse inval in Nederland kondigde gouverneur Kielstra van Suriname de staat van beleg af nam hij allerlei noodmaatregelen. Een van de eerste maatregelen was de internering van alle personen die nu als vijand van het Koninkrijk werden beschouwd. Dat waren vooral de ruim honderdzestig Duitsers die in de kolonie woonden. De meesten van hen waren hernhutters, die als zendelingen en onderwijzers in Suriname werkten. Onder hen bevonden zich ook enkelen die van nationaalsocialistische sympathieën verdacht werden. Bovendien werd de bemanning opgepakt van het Duitse vrachtschip Goslar, dat in de haven van Parimaribo voor anker lag. De Duitsers, onder wie zich ook een zevental uit nazi-Duitsland gevluchte joden bevonden, werden geïnterneerd in het kamp Copieweg, op twintig kilometer van de hoofdstad. In dit kamp werd verder een aantal NSB’ers opgesloten en bovendien liet Kielstra er linkse en andere tegenstanders van zijn autocratisch bewind als ‘staatsgevaarlijke personen’ opsluiten.

Nadat Japan in december 1941 Nederland de oorlog had verklaard, reageerde Kielstra positief op het verzoek van de Indische gouverneur-generaal geïnterneerden uit Nederlands-Indië op te nemen. Ook in de Oost waren de Duitsers, NSB’ers en andere in politiek opzicht als gevaarlijk beschouwde personen opgesloten. Sommige van deze ‘Indische’ gevangenen waren om onduidelijke redenen opgepakt, anderen zaten vast omdat zij antikolonialistische sympathieën hadden. Ook de Indische NSB’ers voelden zich onschuldig; de Indische NSB was fel anti-Japans en het lidmaatschap van de Indische NSB was tot 10 mei 1940 niet verboden. Voor de Indische gevangenen werd een apart kamp gebouwd in het afgelegen Jodensavanne, gelegen aan de Surinamerivier. Ooit had zich hier een groep Braziliaanse joden gevestigd, waaraan de oude grafzerken nog herinnerden.

Kamp Jodensavanne stond bekend als de ‘groene hel’. Het was er vochtig, modderig en heet. De honderdzesenveertig gevangenen zaten samengepakt in drie barakken en - anders dan de Duitse geïnterneerden - moesten zij dwangarbeid verrichten. De gevangenen, die geen post of Rode-Kruispakketten mochten ontvangen, leefden onder grote spanning. Regelmatig werden er zogenaamde alarmoefeningen gehouden, waarbij de bewakers met scherp vlak langs de gevangenen dwars door het kamp schoten. Twee gevangenen gingen in hongerstaking en stierven aan de gevolgen daarvan. In november 1942 werd een aantal geïnterneerden gedwongen de joodse graven open te leggen, omdat de kampcommandant had gehoord dat de joden vroeger met kostbare sieraden werden begraven. Nadat de gevangenen hadden geweigerd grafschennis te plegen, werden zij in strafcellen opgesloten. Ze wisten te ontsnappen, maar werden gepakt en daarna mishandeld. Twee van hen werden op bevel van territoriaal commandant Meyer geëxecuteerd. Ook al staat vast dat in de kampen in Suriname en op de Antillen mishandeling voorkwam en dat er doden vielen, toch werden de geïnterneerden er in vergelijking met de Duitse en Japanse kampen goed behandeld. Verreweg het slechts behandeld werden de gedetineerden uit Nederlands-Indië.

Wat kunt u onder dit thema vinden?
U vindt hier archieven en stukken met betrekking tot het interneren van mensen die als vijand van het koninkrijk beschouwd werden.

Literatuurverwijzingen

A.G. Besier, De groene hel : een Nederlands concentratiekamp in Suriname 1 maart 1942 tot 15 juli 1946 (Bunne 1994).

T. van den Brand, De strafkolonie: Een Nederlands concentratiekamp in Suriname 1942-1946 (Amsterdam 2006).

M. van Selm, 'Een doorgaans onbekende historie...' : het lot van 146 (vermeende) N.S.B.'ers uit Nederlands-Indië, bijgenaamd 'de onverzoenlijken' (s.l. 1995).

J.E. Stulemeyer, Kamptoestanden in Nederlands Oost-Indië en Suriname 1940-1946. Een doorgaans onbekende historie, die toch ons allen aangaat. Getuigenissen en commentaren bijeengebracht door J.E. Stulemeyer. (Amsterdam 1978).