Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederlands-Indië

Vervolging

Een van de doelen van de Japanse bezettingspolitiek was het uitwissen van alle sporen van Westerse aanwezigheid in Indonesië. In het kader hiervan werden allerlei symbolen van Nederlandse aanwezigheid verwijderd, zoals de standbeelden van Jan Pietersz. Coen en het Van Heutsz-monument. Het in het openbaar gebruiken van het Nederlands werd verboden, evenals de Nederlandstalige opschriften van winkels, hotels en restaurants. Ook werden de Japanse jaartelling en de Tokyo-tijd ingevoerd. Bovendien werd in maart en april 1942 de Nederlandse bestuurlijke elite geïnterneerd: gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh en alle ambtenaren van het Binnenlands Bestuur en verschillende hoge politiefunctionarissen. Rechters, artsen, advocaten en leraren werden eveneens opgepakt. Later werd ook de rest van de Europese bevolking gevangengenomen. Om bestuurlijke chaos te voorkomen, werden de lagere ambtenaren - overwegend Indo-Europeanen - weer vrijgelaten om twee jaar deels echter alsnog geïnterneerd te worden. Ook Nederlanders die een cruciale functie in het ambtelijk apparaat of het bedrijfsleven vervulden, mochten enige tijd op hun post blijven.

Niet vervolgd werden de ruim 200.000 Indo-Europeanen op Java. Omdat zij deels van Aziatische afkomst waren, zag de bezetter hen als mede-Aziaten die dienden te worden overgehaald zich voor de Japanse zaak in te zetten. In de buitengewesten werden de Indo’s echter wel naar een interneringsoord overgebracht. Tijdens de Japanse bezetting hebben honderden van deze oorden bestaan, uiteenlopend van gevangenissen, militaire barakken en forten, tot stadswijken, kloosters pakhuizen en kerken. De levensomstandigheden varieerden van plaats tot plaats en waren onder meer afhankelijk van de Japanse kampcommandant. Krijgsgevangen Nederlandse en Indo-Europese KNIL-militairen hadden het extra zwaar te verduren. Velen werden als dwangarbeider ingezet bij de aanleg van militaire werken, hetzij in de archipel of elders in Azië. Zo werden in oktober 1942 ongeveer 18000 Nederlanders naar Birma en Thailand overgebracht om te werken aan de aanleg van de Birma-spoorweg.

Om anti-Japanse activiteiten op het spoor te komen was de Kenpeitai, de Japanse militaire politie, bijzonder actief. Vermoed wordt dat ongeveer 15.000 personen met deze politiedienst in aanraking zijn gekomen; 5000 van hen werden gefusilleerd, 7000 crepeerden in gevangenissen. Er was nauwelijks voedsel, de behuizing was slecht en wie de gevangenisregels overtrad werd wreed gestraft. De vaagste vermoedens van illegale activiteiten waren voor de Kenpeitai aanleiding tot arrestatie over te gaan. Door haar ondervragingsmethoden, die vaak in martelingen ontaarden, werd zij al snel berucht. Haar koortsachtige opsporingsactiviteiten waren het gevolg van de Japanse idee-fixe dat er in Indonesië een wijdvertakte verzetsorganisatie bestond. Vooral nadat de oorlog voor Japan een ongunstige wending had genomen, nam de waakzaamheid van de Kenpeitai toe. De ontdekking van enkele verzetsgroepen voedde de Japanse achterdocht, maar de omvang van de verzetsactiviteiten werd schromelijk overschat.

Wat kunt u onder dit thema vinden?
U vindt hier archieven en stukken met betrekking tot Japanse maatregelen tegen diverse personen, zoals Nederlandse onderdanen. Kijkt u ook eens onder het thema Kampen en Gevangenissen.

Literatuurverwijzingen

H.W. van den Doel, Afscheid van Indië: de val van het Nederlandse imperium (Amsterdam 2000). 

L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Dl. XI, (Den Haag 1984-1986) .

H. Meijer, In Indië geworteld (Amsterdam 2004).