Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederlands-Indië

Nasleep

Zuivering

Al geruime tijd voor het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië hadden verschillende Indische regeringsinstanties-in-ballingschap voorbereidingen getroffen voor een naoorlogse zuivering van het overheidspersoneel. Na de Japanse capitulatie en de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring deden zich tal van problemen voor die het voorgenomen onderzoek naar de gedragingen over overheidspersoneel tijdens de bezetting bemoeilijkten. De verbindingen tussen de eilanden bleef geruime tijd slecht en velen die voor onderzoek in aanmerking kwamen, hadden Indië verlaten nadat zij ontslag hadden genomen of met pensioen waren gegaan. Bovendien was het overheidspersoneel dringend nodig voor het herstel, de wederopbouw en de veiligheid van het land, een behoefte die niet bevorderlijk was voor een grondig zuiveringsonderzoek.

Na de Japanse capitulatie besloot de Indische regering het zuiveringsonderzoek voorlopig te beperken tot de niet-Indonesische ambtenaren. Voor de Indonesische ambtenaren golden andere beoordelingsmaatstaven, omdat zij volgens de regering in een kwetsbare en ongemakkelijke positie hadden verkeerd. Hen was immers enerzijds door het gouvernement opgedragen op hun post te blijven en in het belang van de bevolking door te werken. Aan de andere kant had de bezetter bij onwilligheid dwang en terreur niet geschuwd. Bovendien diende na de uitroeping van de Republiek een grootscheeps onderzoek onder Indonesische ambtenaren of oud-ambtenaren geen enkel politiek doel.

Eind 1945 werd duidelijk hoe het zuiveringsbeleid ten aanzien van de Nederlandse ambtenaren zou worden vormgegeven. Het onderzoek zou betrekking hebben op de volgende categorieën overheidspersoneel: KNIL- en marinepersoneel; de groep die buiten de interneringskampen en gevangenissen was gebleven; de groep die tot 1943 - de tijd van de grote interneringsgolf - in vrijheid was geweest; de groep die al eerder was opgepakt, maar weer was vrijgelaten; ambtenaren tegen wie beschuldigingen waren geuit. Er kwamen verscheidene onderzoekscommissies en voor de onderlinge afstemming zorgde de Contact Commissie. In Nederland verrichtte een Adviescommissie onderzoek naar de zich hier bevindende Indische ambtenaren. Bij hun onderzoek lieten de onderzoekscommissies zich leiden door de aanwijzingen die de Indische overheid voor de oorlog had uitgevaardigd over de wijze waarop ambtenaren zich in geval van een bezetting dienden te gedragen. In deze aanwijzingen was bepaald dat de ambtenaar bij een bezetting op zijn post moest blijven, de bevolking moest dienen en de last van de bezetting eerlijk moest verdelen.

Toen eind 1947 een voorlopige balans van de ambtenarenzuiveringen werd opgemaakt, bleek het aantal strafbare gevallen gering, zeker in vergelijking met Nederland. Daar bestond het probleem van de pro-Duitse en pro-NSB’ambtenaren, terwijl in Indië pro-Japanse ambtenaren vrijwel afwezig waren. Een ander verschil met Nederland is het geringe aantal ambtenaren en hun vooraanstaande plaats in de samenleving. Hun hoge status kan enige bescherming geboden hebben en bovendien waren zij onmisbaar voor de wederopbouw in de chaotische naoorlogse situatie. Hoeveel onderzoekingen, gezuiverden en gestraften er in totaal in Indië geweest zijn, is op grond van het beschikbare archiefmateriaal (nog) niet te zeggen.

Literatuurverwijzingen

P. Groen en E. Touwen-Bouwsma (red.), Tussen banzai en bersiap: de afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië (Den Haag 1996).