Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederlands-Indië

Nasleep

Tribunalen en Krijgsraden

Al tijdens de oorlog was de voorbereiding van de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers ter hand genomen. Zo tekende de Nederlandse regering in Londen in januari 1942 de Verklaring van St. James die duidelijk maakte dat oorlogsmisdadigers zouden worden opgespoord en berecht. In oktober 1943 werd de United Nations War Crimes Commission (UNWCC) opgericht die zich boog over de juridische en praktische vraagstukken van de naoorlogse berechting van oorlogsmisdadigers. Nederland had zitting in de subcommissie van deze commissie die zich met het Verre Oosten bezighield. Ook de Nederlands-Indische autoriteiten in Australië hadden voorbereidende maatregelen getroffen voor de berechting van oorlogsmisdadigers. De inlichtingendienst Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS) verzamelde sinds 1944 bewijsmateriaal over oorlogsmisdrijven. In juni 1945 werd het decreet afgekondigd dat de grondslag legde voor de temporaire krijgsraden, die onder meer Japanse oorlogsmisdadigers zouden berechten. Hoewel een nadere wettelijke regeling pas in voorjaar van 1946 gereed kwam, had de Nederlands-Indische regering kort na de capitulatie van Japan al wel besloten tot de oprichting van een Regeringsbureau tot naspeuring van oorlogsmisdrijven.

Alle voorbereidingen van de berechting van oorlogsmisdadigers hadden betrekking op Japanners die verdacht werden van de klassieke, in internationale verdragen omschreven oorlogsmisdrijven. In 1945 hadden de geallieerden, op voorstel van de Verenigde Staten, tevens besloten om de Japanse oorlogsleiders te berechten op grond van misdrijven tegen de vrede. Zij zouden als ‘A war criminals’ voor het Tribunaal van Tokio te recht staan, terwijl de overige oorlogsmisdadigers als ‘B & C war criminals’ zouden worden berecht. In totaal hebben de geallieerde mogendheden 4000 Japanners berecht wegens het begaan van klassieke oorlogsmisdaden. Ongeveer een kwart van hen stond terecht in Nederlands-Indië.

In het kader van de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers werden in Nederlands-Indië verscheidene Temporaire Krijgsraden opgericht die tot en met 1949 bijna duizend vonnissen wezen. Bijna een kwart van alle verdachten werd ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Meer dan een derde van hen behoorde tot de Kempeitai of de Tokeitai. Bij de Indische berechting was geen internationaal toezicht, wel was er sprake van intensieve samenwerking met de geallieerden in Singapore en Tokio. In vergelijking met de berechting van Japanners door bijvoorbeeld de Britse, Australische, Chinese en Filippijnse krijgsraden kwamen de Indische krijgsraden zelden tot vrijspraak van de Japanse verdachten. Maar in dat opzicht verschilden de Indische krijgsraden niet van de Amerikaanse krijgsraden in de Filippijnen en Japan. Bij het opleggen van de doodstraf week de praktijk in Nederlands-Indië niet af van de Australische rechtspraak, terwijl de Britse en Chinese krijgsraden aanzienlijk vaker overgingen tot het opleggen van de doodstraf.

Literatuurverwijzingen

M. Awouters, Het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten (Leuven 2005).
N. Boister and R. Cryer, The Tokyo International Military Tribunal: a reappraisal (Oxford 2008).
L. van Poelgeest, Japanse besognes: Nederland en Japan (Wassenaar 1999).