Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Vervolging

Jodenvervolging

De Duitsers begonnen vrijwel meteen na de start van de bezetting met het uitsluiten van Joden uit de Nederlandse samenleving. Vanaf eind augustus mochten er geen Joodse ambtenaren meer worden benoemd en in oktober 1940 volgde de Ariërverklaring, die door vrijwel alle ambtenaren werd ingevuld. Op 21 oktober kondigde de bezetter aan dat alle Joodse ambtenaren moesten worden ontslagen, wat tot een staking onder studenten leidde. In januari 1941 werd Joden de toegang tot openbare gelegenheden zoals bioscopen en theaters ontzegd en volgde een aanmeldingsplicht (Verordening 6/41). De registratie van Joden werd geleid vanuit Den Haag, door de Rijksinspectie voor de Bevolkingsregisters. Op gemeentelijk niveau werden Joden geregistreerd door een ambtenaar van de burgerlijke stand. Het hoofd van de Abteilung Innere Verwaltung, dr. H. Calmeyer, zag toe op de uitvoering van de verordening en handelde twijfelgevallen af.

Na de Februaristaking in 1941 kwam de vervolging van Joden echt goed op gang. In Amsterdam werd de Zentralstelle für jüdische Auswanderung actief, opgezet als kantoor voor vrijwillige emigratie, maar bedoeld als orgaan voor algehele deportatie. Ook startten de Duitsers dat jaar met razzia’s, oorspronkelijk bedoeld om angst aan te jagen. Daarnaast werden werkloze Joodse mannen (veelal door alle uitsluitingsmaatregelen hun baan kwijtgeraakt) vanaf begin 1942 overgebracht naar werkverschaffingskampen in Noord- en Oost-Nederland. In mei 1942 volgde de Jodenster en steeds meer Joden moesten, in afwachting van deporatie, van buiten de hoofdstad naar Amsterdam verhuizen.

In februari 1941 was verder de Joodse Raad opgericht, die in theorie een bemiddelende rol speelde tussen de Duitsers en de Joodse bevolking maar in de praktijk de Duitse maatregelen uitvoerde. In 1942 kondigde de bezetter de ‘tewerkstelling’ van Joden in Duitsland aan en de Joodse Raad zou een belangrijke rol vervullen met betrekking tot het oproepen en registreren van Joden hiervoor. De Raad had bedongen dat haar leiders vrijgesteld van deportatie waren en was bang voor represailles. In juli volgden de eerste trein van Amsterdam Centraal naar Westerbork, waarvandaan de Joden naar kampen in het Oosten werden getransporteerd. Omdat de treinen die twee keer per week naar vernietigingskampen vertrokken niet halfleeg mochten rijden, moesten er voldoende Joden worden aangeleverd. Joodse bejaardentehuizen, weeshuizen en ziekenhuizen werden leeggehaald en als Joden niet reageerden op hun oproep hielden de Duitsers razzia’s. Eind september 1943 vond de laatste en grootste razzia plaats in Amsterdam. Opheffing van de Joodse Raad volgde. De leden en het personeel van de Raad werden naar Westerbork overgebracht. Van de 107.000 gedeporteerde Joden kwamen ruim 5200 terug. Van de naar schatting 140.000 Joden die voor de oorlog in Nederland woonden, is ongeveer 75% omgekomen. Dat is meer dan in andere bezette landen in West-Europa.

Zie ook het thema Kampen en gevangenissen.

Literatuurverwijzingen

I. de Haan, Na de ondergang. De herinnering aan de jodenvervolging in Nederland, 1945-1995 (Den Haag 1997). 

B. Moore, Slachtoffers en overlevenden. De nazi-vervolging van de joden in Nederland (Londen 1998). 

J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdeling van het Nederlandse jodendom, 1940-1945 (Den Haag 1965).