Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Rechtspraak tijdens WO2

Nederlandse Rechtspraak

Het Nederlandse rechtssysteem bleef van kracht tijdens de Duitse bezetting, maar zou voortaan onder toezicht staan van Duitse rechtsinstanties. Eind augustus 1940 bepaalde Seyss-Inquart reeds dat hij voortaan bevoegd was inzake beslissingen over benoemingen en ontslagen. Er werden direct tien Joodse rechters ontslagen, maar daarnaast werd vooral in het OM huisgehouden, waar drie procureur-generaals door NSB-ers en pro-Duitsers vervangen werden. In het voorjaar van 1941 was de zittende magistratuur aan de beurt en werden Joodse rechters uit hun ambt gezet. Verder verlaagde de bezetter de leeftijdsgrens voor rechters van 70 naar 65, met uitzondering van Duits-gezinde rechters. Op die manier konden de niet-Duitsgezinde rechters op geleidelijke wijze vervangen worden door nationaalsocialisten.

 

Om de hoge werkdruk bij de Duitse rechtsinstanties te verlagen, werd er in augustus 1941 een Vrederechter (1 lid) en Vredegerechthof (3 leden) ingesteld. Deze rechters dienden vergrijpen te berechten die de politieke vrede in gevaar brachten of die uit politieke beweegredenen waren begaan. De zaken die voor deze rechters kwamen, waren echter vrij nietig en de zwaardere zaken bleven voorbehouden aan de Duitse instanties. In april 1941 werd verder ook nog de economische rechtspraak geïntroduceerd. De Duitsers vonden de straffen van deze rechters echter veelal te licht en grepen actief in door reeds beëindigde zaken alsnog voor de Duitse rechter te brengen. Zware distributiezaken gingen vanaf 1942 al direct naar de Duitse rechtbank. Zodoende kwamen in de praktijk alleen de lichtere zaken bij Nederlandse rechters terecht, zowel op politiek als op economisch gebied.

 

Kritiek op Hoge Raad na de oorlog kwam vooral door het arrest van 12 januari 1942 waarin de raad stelde dat de voorschriften van de bezetter en secretarissen-generaal het karakter van wet droegen en dat de Nederlandse rechter de ‘innerlijke waarde of billijkheid’ van een wet niet mocht beoordelen of mocht toetsen aan een verdrag. Toch was er ook verzet van Nederlandse rechters, bijvoorbeeld naar aanleiding van de erbarmelijke omstandigheden in kamp Ommen. Enkele rechters stuurden brieven naar secretaris-generaal J. Schrieke om de sluiting van het kamp en stopzetting van de Duitse bemoeienis met Nederlandse straffen te eisen. Andere rechters besloten geen gevangenisstraffen meer op te leggen op zo te voorkomen dat mensen naar kamp Ommen werden gestuurd. In april 1943 stemde Seyss-Inquart in met de sluiting van het kamp.

 

Na de stakingen in 1943 werden de bevoegdheden van de Nederlandse rechtsinstituties nog verder beperkt. Zo werd bijvoorbeeld in mei 1944 bepaald dat zelfs lichtere gevallen van zwarthandel zonder strafproces mochten worden afgehandeld. Verder negeerde de Duitse veiligheidspolitie in toenemende mate de door Nederlandse rechters opgelegde straffen. De intocht van de geallieerden betekende een enorme ontwrichting voor het Nederlandse rechtsbestel. De leden van de Hoge Raad, die in 1943 van Den Haag naar Nijmegen was verhuisd, waren veelal gevlucht of naar huis teruggekeerd. In de bevrijde gebieden werd direct begonnen met de zuivering van de rechtsinstanties.

Literatuurverwijzingen

C.J.H. Jansen, Stoppen of doorgaan? Enkele beschouwingen over recht en rechtsbeoefening in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag 2006).
J. Meihuizen, Smalle marges: de Nederlandse advocatuur in de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2010)
D. Venema, Leny de Groot-van Leeuwen en Thomas Mertens (red.), Onder de huidige omstandigheden. De Hoge Raad en het toetsingsarrest 1942 (Den Haag 2008).
D. Venema, Rechters in oorlogstijd. De confrontatie van de Nederlandse rechterlijke macht met nationaal-socialisme en bezetting (Den Haag 2007).

Bestellen