Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Openbare orde en Veiligheid

Overig

Op 18 mei 1940 bepaalde Hitler dat Nederland een burgerlijk bestuur zou krijgen onder leiding van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart. Hij werd bijgestaan door vier Generalkommissare, die verantwoordelijke waren voor verschillende bestuursgebieden. Generalkommissar Hanns Albin Rauter had een sterke positie en was verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid in het bezette Nederland. In zijn rang van Höhere Polizei- und SS-Führer kan hij worden gezien als de vertegenwoordiger van de Reichsführer SS, Heinrich Himmler. Was hij tot februari 1941 nog bereid geweest te luisteren naar suggesties van Nederlandse bestuurders over de politieorganisatie, na de Februaristaking was zijn geduld op.

Als hoogste politieautoriteit voerde Rauter tijdens de bezetting een reorganisatie door van de Nederlandse politie. Hij ontdeed het politiebestel van zijn bestuurlijke kaders en maakte er een geleide staatspolitie van die formeel onder het ministerie van Justitie ressorteerde, maar de facto onder bevel stond van hemzelf. In het overgrote deel van de gemeenten schafte hij de plaatselijke politie af, versterkte de greep van de centrale overheid op de politie in de grote steden en richtte een Rijksrecherche op. Door het afschaffen van de lokale politie waren de burgemeesters niet langer verantwoordelijk voor de orde en veiligheid. Tot genoegen van veel dienders voerde hij politiescholen, een technische dienst en een eigen ziekenfonds in. Ook zorgde hij voor betere bewapening en een aanzienlijke salarisverhoging.

De politie heeft tijdens de bezetting medewerking verleend aan de Duitse autoriteiten en bezettingstroepen, echter zonder dat de ideologische nazificatie over de hele linie een succes was. Het optreden van de overgrote meerderheid van het politiepersoneel lag in de lijn van het algemene beleid zoals bepaald door de secretarissen-generaal: verzet was zinloos en zou de nuttige samenwerking tussen bezetter en binnenlandse bestuur alleen maar kunnen schaden. Samenwerken met de Duitse bezetter betekende ook inschakeling bij de jodenvervolging. Nadat politiemensen hiertegen begin 1943 openlijk en soms in groten getale hadden geprotesteerd, maakte de Duitse autoriteiten bij hun jacht op joden sindsdien hoofdzakelijk gebruik van speciale eenheden, de politiebataljons en politieke recherches. Ook andere diensten, zoals de Vrijwillige Hulppolitie, waren betrokken bij de klopjacht op joden en zigeuners. Berucht is de Colonne Henneicke van de Hausraterfassungsstelle. Leden van deze dienst spoorden voor een premie per aangebrachte jood tussen 8000 en 9000 slachtoffers op. Maar ook door dienders die niet tot speciale formaties behoorden, werden in 1943 nog joden opgehaald.