Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Nasleep

Repatriëring

Al vanaf 1943 hield de Nederlandse regering in Londen zich bezig met de kwestie van de repatriëring van de Nederlandse displaced persons na de oorlog. De Duitse bezetter had joden en politieke tegenstanders naar concentratiekampen in het oosten van Europa gedeporteerd en ook waren Nederlanders gedwongen om in Duitsland te werken in de oorlogsindustrie. Voorts waren er de Nederlandse krijgsgevangenen en degenen die in Duitse krijgsdienst waren getreden. Over de aanpak van de repatriëring van deze groepen bestond in Londen aanvankelijk geen consensus. Behalve een speciale regeringscommissaris voor repatriëring, die ressorteerde onder het ministerie van Sociale Zaken, trof ook het Militair Gezag voorbereidingen voor de opvang van de groepen die na de bevrijding naar Nederland zouden terugkeren.

Na enig touwtrekken werd, mede onder invloed van de komst van de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces (SHAEF), dat verantwoordelijk was voor de repatriëring van displaced persons in Europa in het algemeen, een compromis bereikt. Een regeringscommissaris ging zorg dragen voor de georganiseerde repatriëring naar Nederland en werkte daarbij nauw samen met internationale organisaties als de United Nations Relief en Rehabilitation Administration (UNRRA). Het Militair Gezag hield zich bezig met de opvang van de repatrianten en van degenen die op eigen houtje naar huis terugkeerden in Nederland en zorgde voor hun vervoer naar huis. Voor deze taken werd het Bureau voor Evacuerings- en Repatriëringszaken in het leven geroepen.

De gerepatrieerden werden ondergebracht in opvangkampen verspreid door heel Europa. Meestal stonden deze kampen onder beheer van de UNRRA. Hier werden de gerepatrieerden ontluisd, geregistreerd en kregen ze de eerste medische zorg. Na verloop van tijd werden zij naar hun vaderland teruggebracht en opgevangen in ontvangstcentra. Na nogmaals geregistreerd en medisch gekeurd te zijn, konden de repatrianten uiteindelijk naar huis. Bij de repatriëring werd geen onderscheid gemaakt op basis van de achtergrond van de repatrianten. Iedere Nederlander en verder iedereen die vóór de oorlog in Nederland had gewoond, kwam in aanmerking voor repatriëring. Dat er geen onderscheid werd gemaakt tussen groepen repatrianten stoorde sommigen in Nederland. Vooral uit kringen van de voormalige illegaliteit werd gepleit voor een versnelde repatriëring uit Duitsland van ex-politieke gevangenen. In sommige gevallen namen zij zelf initiatieven om voormalige verzetsstrijders uit Duitsland te halen.

De Nederlanders die het langst op repatriëring moest wachten, waren degenen die gevangen zaten in de Sovjet-Unie. Dit waren zowel dwangarbeiders als Nederlanders die aan de kant van Duitsland hadden gevochten. Voor dit onderscheid hadden de Sovjetautoriteiten echter geen oog en bovendien zagen zij de Nederlanders vaak voor Duitsers aan. Veel Nederlanders werden dan ook vastgezet in krijgsgevangenkampen, waar zij werden gedwongen zware arbeid te verrichten. SHAEF had in de Sovjet-Unie en andere Oost-Europese landen geen invloed en was ook niet verantwoordelijk voor de daar verblijvende displaced persons. Nederland zelf kreeg echter geen toestemming om een repatriëringsmissie te sturen en was daarom voor de terugkeer van Nederlanders afhankelijk van de Engelsen en Fransen, die wel waren toegelaten tot de Sovjet-Unie. De onderhandelingen met de Sovjetautoriteiten om Nederlanders terug te krijgen verliepen zeer moeizaam. Terwijl eind 1945 de meeste Nederlanders uit Duitsland naar huis waren teruggekeerd, zo’n 300.000 in getal, zouden de allerlaatste landgenoten die in handen van de Sovjet-Unie waren gevallen pas diep in de jaren vijftig worden gerepatrieerd.

Literatuurverwijzingen

H. Piersma (red.), Mensenheugenis. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Getuigenissen (Amsterdam 2001). 

M. Bossenbroek, De meelstreep: terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2001).