Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Nasleep

Rechtsherstel

Na de oorlog ging de aandacht van opeenvolgende regeringen vooral uit naar de wederopbouw en het herstel van het land. Tegelijkertijd werden zij geconfronteerd met groepen burgers die aanspraak maakten op het herstel van hun tijdens de bezetting in Nederland en Nederlands-Indië geschonden eigendomsrechten. Tijdens de bezetting hadden de Duitsers de joden niet alleen meedogenloos vervolgd, ze hadden hen ook systematisch beroofd. Na de bevrijding wendden overlevenden en nabestaanden zich tot de Nederlandse overheid om hun eigendommen op te eisen. Een tweede groep die bij de overheid aanklopte bestond uit degenen die in het kader van de Arbeitseinsatz gedwongen arbeid hadden verricht in het Duitse Rijk. Zij moesten na afloop van de oorlog hun verdiende Rijksmarken aan de Nederlandse grens inleveren, maar zij zouden deze ‘grensgelden’ later onder bepaalde voorwaarden terugontvangen. Een derde kwestie betrof het niet of slechts gedeeltelijk uitbetalen van salaris over de oorlogsperiode aan ambtenaren en militairen in Nederlands-Indië. Zij confronteerden eerst het koloniale gouvernement en later de Nederlandse overheid met hun claims.

Al tijdens de bezetting had de regering in ballingschap maatregelen voorbereid ten behoeve van de opvang van oorlogsgetroffenen. Uitgangspunt was dat alle getroffenen alles moesten terugontvangen wat hen was ontstolen. In 1942 werd door de Nederlandse regering in Londen een Commissie Herstel Rechtsverkeer ingesteld om een aantal wetten voor te bereiden die het vermogensbeheer na de oorlog zouden regelen. In 1944 kwamen achtereenvolgens het Besluit Herstel Rechtsverkeer en het Besluit Vijandelijk Vermogen tot stand. Bepaald werd dat van overheidswege beheerders en bewindvoerders over de vermogens zouden worden benoemd. Met de uitvoering van beide besluiten werd voorlopig het Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel (MCRH) belast, dat onderdeel vormde van het Militair Gezag.

In augustus 1945 eindigden de bevoegdheden van het MCRH en zijn taken werden overgenomen door de Raad voor het Rechtsherstel. De Raad had als doelstelling ‘het door de Duitsers tijdens de bezetting 1940-1945 gepleegde onrecht van het zich toe-eigenen en liquideren van vermogensbestanddelen van personen en instellingen zoveel mogelijk ongedaan maken’. De Raad kende een zestal afdelingen, waaronder de Afdeling Beheer. Deze afdeling had een aantal omvangrijke taken. Zij voerde het beheer over de vermogens van vijanden en landverraders, zoals NSB’ers, en tevens over de boedels van Duitse ‘roofinstanties’, zoals de bank Lippmann, Rosenthal & Co (Liro). Uitvoerend orgaan van de Afdeling Beheer was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Volgens de regelingen waren zowel bezitters van vijandelijke als van landverraderlijke vermogens verplicht tot aangifte bij het NBI. De opsporing van niet aangegeven vermogens was in handen van de Centrale Vermogensopsporingsdienst (CVO). De afdeling buitenland van deze dienst was belast met het recuperen van geroofde goederen die meestal in Duitsland terecht waren gekomen.

Literatuurverwijzingen

G. H. Aalders, Berooid : de beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945 (Amsterdam 2001).
C. Kristel (red.) Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Besluitvorming. Binnenskamers (Amsterdam 2002).
W. Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw (Alphen a/d Rijn 2005).