Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Kunst en Cultuur

Tot één van de belangrijkste politieke opdrachten die Rijkscommissaris Seyss-Inquart uit Berlijn had meegekregen, behoorde het met zachte hand winnen van Nederland voor het nationaalsocialisme. Dit doel trachtte hij onder meer te bereiken door het gelijkschakelen van de Nederlandse samenleving, met als belangrijk onderdeel de nazifizering van de culturele sector. Die begon officieel op 26 november 1940 met de opheffing van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, en de gelijktijdige instelling van onder meer het departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) met aan het hoofd de filosoof en NSB’er T. Goedewaagen. Het ministerie organiseerde onder meer tentoonstellingen en concerten waarbij de nadruk lag op de Nederlandse cultuur. Alleen ‘waardevolle en gezonde kunst’ was toegestaan, terwijl werk van joodse kunstenaars was verboden en ook Engelse, Franse en Amerikaanse invloeden werden geweerd.

 

Volgens Goedewaagen diende gebroken te worden met de vooroorlogse opvatting dat kunst geen regeringszaak zou zijn. In zijn visie diende de overheid de kunst juist te stimuleren en financieel te ondersteunen met subsidies en prijzen. Voorwaarde was dat kunstenaars, die volgens Goedewaagen te veel van het volk vervreemd waren geraakt, hun creativiteit ten dienste stelden van de Nederlandse  ‘volksgemeenschap’. Dit doel probeerde hij te bereiken door de instelling - naar Duits voorbeeld - van een Kultuurkamer, een overkoepelende organisatie bestaande uit een zestal beroepsgroepen, de zogenoemde gilden. Iedereen werkzaam in de culturele sector diende bij een gilde te zijn aangesloten. Als ‘volksvreemde elementen’ konden joden er geen lid van worden. Al vroeg rees er verzet tegen de plannen voor een Nederlandse Kultuurkamer. In 1941 waren de toneelspelers er tegen in het geweer gekomen, gevolgd door de organisaties van schrijvers, architecten en toonkunstenaars. Nadat de druk op de kunstenaars krachtig was opgevoerd, kwam in januari 1942, met de oprichting van het Pers- en het Theater- en Dansgilde, de Kultuurkamer uiteindelijk van de grond.

 

Ook al zag de meerderheid van de kunstenaars niets in nationaalsocialistische bevoogding, toch sloten velen zich bij de Kultuurkamer aan. Individuele aanmelding was soms niet eens vereist, zoals in het geval van de journalisten die collectief via hun bond lid waren geworden, en hetzelfde gold voor de leden van koren, orkesten en fanfarekorpsen die door hun directies werden aangemeld. Wie zich niet aanmeldde, mocht zijn beroep niet meer uitoefenen. Aanmelding vond dikwijls plaats uit materiële motieven. Toneelspelers konden immers slechts aan de kost komen door in het publiek op te treden en schilders waren vaak afhankelijk van materiaal dat via de Kultuurkamer werd toegewezen. Op talloze manieren slaagden degenen die zich niet hadden aangemeld erin het hoofd boven water te houden. Sommige schrijvers hielden zich bezig met illegale uitgaven, waarvan de opbrengsten naar steunfondsen voor kunstenaars gingen. Ook werd er wat verdiend tijdens ‘zwarte avonden’: clandestiene concerten of toneelstukken bij particulieren. Niet-aangemelde kunstenaars konden ook een beroep doen op het Nationaal Steunfonds (NSF), de ondergrondse organisatie die het verzet financierde.

 

Wat kunt u onder dit thema vinden?

Alles wat met kunst te maken hebben, zowel kunstenaars als bijvoorbeeld de verkoop van schilderijen, zijn onder dit thema geplaatst. Wat betreft cultuur kunt u denken aan Sinterklaas en Carnaval vieringen.

 

Literatuurverwijzingen

A.P.A.M. van der Logt, Het theater van de nieuwe orde: een onderzoek naar het drama van Nederlandse nationaalsocialisten (Amsterdam 2008).
P. Micheels, Muziek in de schaduw van het Derde Rijk: de Nederlandse symfonie-orkesten 1933-1945 (Zutphen 1993).
H. Mulder, Kunst in crisis en bezetting. Een onderzoek naar de houding van Nederlandse kunstenaars in de periode 1930-1945 (Utrecht/Antwerpen 1978).

C.A.T.M. Wouters, Ongewenste muziek: de bestrijding van jazz en moderne amusementsmuziek in Duitsland en Nederland, 1920-1945 (Den Haag 1999).