Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Duitse overheid en instellingen

Al snel na het begin van de bezetting werd bekend gemaakt dat Nederland, in tegenstelling tot bijvoorbeeld België en Frankrijk, geen militair bestuur zou houden, maar, als onderdeel van het ‘Groot-Duitse Rijk’, een civiel bestuur zou krijgen. Op 29 mei werd de Oostenrijkse Arthur Seyss-Inquart geïnstalleerd als rijkscommissaris. Hij was direct aan Hitler ondergeschikt. Friedrich Christianssen werd Wehrmachtsbefehlshaber, maar zijn invloed is altijd beperkt gebleven. Uitgangspunt van de rijkscommissaris was het uitoefenen van toezicht op het bestaande ambtenarenapparaat en het stimuleren van zelf-nacificatie. De Eerste en Tweede Kamer werden uitgeschakeld en Seyss-Inquart kreeg alle bevoegdheden die voordien aan de kroon en de regering waren toegekomen. Hij kon bijvoorbeeld verordeningen met de kracht van wetten uitvaardigen. 

 

De rijkscommissaris werd in zijn rol als toezichthouder op het Nederlandse bestuur ondersteund door vier Generalkommissariate (GK), die elk de supervisie hadden over een of soms meerdere departementen. In een enkel geval viel een departement onder de hoede van niet één maar twee generaal-commissariaten. De vier commissariaten waren het GK für Finanz und Wirtschaft (economie en financiën) onder H. Fitzböck, het GK für Verwaltung und Justiz (bestuur en justitie) onder F. Wimmer, het GK für das Sicherheitswesen (openbare orde en veiligheid) onder H.A. Rauter en het GK zur besonderen Verwendung (bijzondere aangelegenheden) onder F. Schmidt (na zijn dood in 1943 werd dit W.F.A. Ritterbusch). Dit laatste GK had tot taak de openbare mening in nationaalsocialistische zin om te vormen en hield zich daarnaast bezig met niet-commerciële verenigingen. Op provinciaal niveau oefenden zogeheten Beauftragten het toezicht op het Nederlandse bestuur uit. Er waren er totaal dertien, één voor elke provincie en één voor respectievelijk Amsterdam en Rotterdam. Zij controleerden de provinciale en gemeentebesturen en konden zo nodig genomen beslissingen ongedaan maken Tot slot ressorteerden onder Seyss-Inquart nog een vertegenwoordiger van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken (Otto Bene) en een gevolmachtigde bij de Nederlandse Bank (H.C.H. Wohltat).

 

In 1941 vond de zogeheten Februaristaking plaats, die een nieuwe fase in de bezetting inluidde. De zelf-nazificatie werd overboord gezet en het Duitse beleid radicaliseerde. Het Führerprincip werd ingevoerd, wat inhield dat er een rechtstreekse hiërarchische keten werd gecreëerd van Seyss-Inquart tot aan de burgemeesters. Dit betekende dat er feitelijk geen gemeentelijk of provinciaal zelfbestuur meer was. Een laatste maatregel betrof het vervangen van lokale bestuursleden door NSB-ers of Duits-gezinden. Naarmate de oorlog zich voor Duitsland steeds ongunstiger ontwikkelde, nam de dwang en terreur toe. In de laatste fase van de oorlog ten slotte, heerste er totale chaos op het gebied van het bestuur, vooral ten gevolge van de gedeeltelijke bevrijding van Nederland, waardoor in het zuiden een tijdelijk Nederlands bestuur werd ingezet, maar het noorden nog steeds onder het bestuur van de bezetter viel.

Zie ook het thema ‘Nederlands bestuur in Nederland’.

Wat kunt u onder dit thema vinden?
Kort gezegd: alles wat Duits is. Naast echte overheidsinstellingen zoals archieven of stukken met betrekking tot het rijkscommissariaat en de Generalkommissariate, kunt u hierbij bijvoorbeeld denken aan het Duitse leger, Duitse veiligheidsdiensten zoals de SD of SS, maar ook bijvoorbeeld Duitse bedrijven of uitgeverijen. Door een combinatie met een ander thema kunt u de resultaten bij dit thema verkleinen (bijv. krijgsverrichtingen voor stukken over het Duitse leger).

Literatuurverwijzingen

G. Hirschfeld, Bezetting en collaboratie. Nederland tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 (Haarlem 1991).

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4 Mei ’40-maart ’41 (Den Haag 1972).

K. Kwiet, Rijkscommissariaat Nederland. Een mislukte poging tot vestiging van een nationaal-socialistische orde (Baarn 1969).