Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Arbeid

Arbeidsinzet

Tijdens de Duitse bezetting werd een zeer groot aantal mannen gedwongen tewerkgesteld in Nederland en Duitsland. De rekrutering van deze mannen vond vooral plaats door middel van doelgerichte acties, die naarmate de oorlog langer duurde in hevigheid toenamen.

In de periode zomer 1940-lente 1942 waren het hoofdzakelijk Nederlandse werklozen die gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken. Aanvankelijk probeerde de Duitse bezetter door middel van propaganda en wervingsacties personeel te werven voor arbeid in Duitsland en Nederland. Ten aanzien van Nederlandse werklozen wilde de bezetter aansluiten bij de praktijk die tot de herfst van 1939 bestond, een praktijk waarbij werk in Duitsland door werklozen uit de grensstreek aanvaard diende te worden op straffe van verlies van steun of werkloosheidsuitkering. Vanwege de durende oorlog had de Duitse economie in toenemende mate behoefte aan buitenlandse arbeiders. De Duitse vraag naar arbeiders was vele malen groter dan het Nederlandse aanbod van vrijwilligers en werklozen die in Duitsland tewerkgesteld waren. Door Seyss-Inquart werd daarom op 23 februari 1942 de verordening 26/42 uitgevaardigd. Voortaan konden Nederlanders verplicht worden om voor een bepaalde tijd in Duitsland te werken.

Deze verplichting ging gepaard met een groot aantal acties, die tot doel hadden specifieke groepen en aantallen gedwongen tewerk te stellen. Zo eiste de Duitse bezetter in het voorjaar van 1942 30.000 metaalarbeiders, in augustus 1942 38.000 arbeiders uit de textiel- en lederindustrie en in december 1942 onder meer 25.000 studenten en overheidsmedewerkers. Van januari 1943 tot april 1943 vertrokken nog eens 51.000 dwangarbeiders naar Duitsland.

Een andere actie betrof alle Nederlandse militairen. Alle 300.000 ex-krijgsgevangenen dienden te worden opgepakt omdat de Duitsers bang waren dat ze bij een geallieerde aanval steun zouden verlenen aan de geallieerden. Bijkomend voordeel voor de Duitsers was dat deze krijgsgevangenen voor de arbeidsinzet konden worden ingezet. De ex-militairen, die in de Nederlandse bewapeningsindustrie werkzaam waren, zouden na aanmelding vrijgesteld worden. Anderen zou men bij de bouw van de Atlantikwall in Nederland tewerkstellen. Voor de Arbeitseinsatz bleef dan, zo schatte men, 200.000 man over. De tekst van de afkondiging was zo dreigend mogelijk geformuleerd en gaf de indruk dat de bezetter op zeer korte termijn Nederland met één slag wilde beroven van 300.000 jonge mannen. In de steden verspreidde dit bericht zich met bliksemsnelheid. Door het hele land kwam het tot grote spontane stakingen. Deze april/meistakingen zijn door de Duitsers met terreur in enkele dagen neergeslagen.

In de laatste fase van de oorlog ging de bezetter over tot rigoureuze maatregelen om arbeidskrachten te verkrijgen. Ten eerste voerden zij grote razzia’s uit met behulp van militairen van de Wehrmacht en ten tweede gebruikten zij pressie door te dreigen dat een ieder die wegbleef bij ontdekking zou worden doodgeschoten. Ook werd gedreigd dat wanneer niet voldoende arbeidskrachten kwamen opdagen een aantal burgers uit de betreffende gemeente, die reeds als gijzelaar waren opgepakt, zou worden gefusilleerd. Deze methoden zijn afzonderlijk en in combinatie door de bezetter toegepast. De Duitsers gingen ook over tot straatrazzia’s, waarbij stadswijken of dorpen werden afgezet en huis na huis huiszoekingen werden gedaan. De laatste officiële actie vond plaats in januari 1945, waarbij alle mannen van 17 tot 40 jaar moesten zich melden voor deportatie naar Duitsland.

Literatuurverwijzingen

B.A. Sijes, De arbeidsinzet, de gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland (Den Haag 1966).