Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Arbeid

Arbeidsdienst

Na de capitulatie van Nederland wilden de Duitsers in Nederland een verplichte Arbeidsdienst instellen. De Arbeidsdienst werd door hen gezien als een instrument om het Nederlandse volk op nationaalsocialistische basis op te voeden. Plotselinge confrontatie met de verplichte Arbeidsdienst zou bij de Nederlandse bevolking weerstand kunnen oproepen, daarom werd de Arbeidsdienst geleidelijk ingevoerd. Seyss-Inquart en Schmidt grepen de demobilisatie van het Nederlandse leger aan om een overgangsfase, in de vorm van de Opbouwdienst, te creëren. Door de Duitse bezetter werd benadrukt dat de Opbouwdienst geen Arbeidsdienst was zoals die in Duitsland bestond, maar een voorziening voor een overgangstijd.

De omzetting van de Opbouwdienst in de Arbeidsdienst werd al in oktober 1940 voorbereid door het ontslag van alle manschappen, ouder dan 25 jaar, en alle onderofficieren, ouder dan 35 jaar, uit het leger. De helft van hen werd ondergebracht bij de gemeentelijke luchtbeschermingsdiensten. Anderen, ongeveer 1500 man, werden bij politie en brandweer geplaatst. Ongeveer 3000 kaderleden en 17.000 manschappen bleven over. Zij zouden overgaan naar de Arbeidsdienst.

Tot 1942 bestonden de arbeiders in de Arbeidsdienst voornamelijk uit vrijwilligers. Pas op 1 april 1942 werd het Arbeidsdienstplichtbesluit in de Staatscourant gepubliceerd. Talrijke jongeren weigerden dienstneming en de dwang werd daarom uitgebreid en verscherpt: op 4 november 1942 werd in de Staatscourant een besluit gepubliceerd waarin voor het eerste halfjaar van 1943 werkloze en niet volledig werkende jongeren die in het laatste kwartaal van 1924 geboren waren, werden opgeroepen hun arbeidsdienstplicht te vervullen. In de daarop volgende jaren volgden meer van dit soort oproepen, gebaseerd op geboortedatum en –jaar.

Al in de eerste oorlogsjaren vond meer en meer de nationaalsocialistische terminologie ingang in allerlei officiële uiteenzettingen en verklaringen over het wezen van de Arbeidsdienst. In tegenstelling tot het pro-Duitse kader bevonden zich onder de arbeidsmannen maar heel weinig pro-Duitse elementen. Tot 1944 werden zij niet ingezet om werkzaamheden voor de Duitsers te verrichten. Weliswaar werd er in algemene zin in de kampen veel propaganda gemaakt voor het nationaalsocialisme, maar daar bezweken slechts weinigen voor. De stemming in de kampen werd zo, ondanks de pogingen daartoe van de bezetter, niet of nauwelijks beïnvloed door de politiek. Eventuele activiteiten van nazi-gezinde kaderleden werden door die van andersdenkende kaderleden meestal geneutraliseerd. Als nationaalsocialistisch vormingsinstituut is de Arbeidsdienst mislukt, wat ook blijkt uit de geringe aantallen vrijwilligers voor het Oostfront. De anti-Duitse stemming in de kampen werd geprobeerd de kop in te drukken door allerlei maatregelen, waaronder het verplicht brengen van de Germaanse groet en het ondertekenen van een nationaalsocialistische geloofsbelijdenis door het kader. Binnen de Arbeidsdienst ontstond hierdoor grote deining. Deze nam nog toe toen in de loop van 1944 geëist werd dat de arbeiders voor de Wehrmacht moesten werken. De situatie escaleerde en van de groep die in het eerste halfjaar van 1944 moest dienen, kwam 20% niet opdagen. De uiteindelijke reactie op de eisen van de Duitse bezetter was een totale leegloop van de kampen van de Arbeidsdienst op Dolle Dinsdag, 5 september 1944 en een virtuele opheffing van de Arbeidsdienst.

Literatuurverwijzingen

W.F. van Breen, De Nederlandsche arbeidsdienst 1940-1945, ontstaan, opkomst en ondergang (Zutphen 2004).